Rouw- en verliesverwerking bij geadopteerden

Na een verlies kunnen kinderen (tijdelijk) gedragsveranderingen laten zien. Soms vertonen ze een kortdurende terugval in hun ontwikkeling (bv. weer bedplassen of veel vaker boos worden dan voorheen). Andere kinderen worden bang of gaan piekeren, onder andere over verliesgerelateerde zaken. De gedrags- en emotionele veranderingen kunnen een reactie zijn op de extreme ontregeling die ze ervaren, maar dat hoeft niet. In sommige gevallen is het gedrag ook functioneel. Zo kan negatief gedrag de enige manier zijn om aandacht te krijgen van hun door emoties bevangen ouders.

Kinderen kunnen onder invloed van hun voortgaande ontwikkeling opnieuw rouwen over een ‘oud’ verlies. Dit heet ‘herrouwen’. Doordat ze zichzelf en de wereld om hen heen steeds beter begrijpen, kan het verlies weer actueel worden. Met toenemend begrip en vaardigheden wordt het verlies opnieuw ervaren en wordt er opnieuw betekenis aan verleend. Herrouwen is iets anders dan uitgestelde rouw. Bij kinderen is er geen sprake van vermijdingsgedrag. Er is simpelweg nog geen sprake van rouw. Het kind stelt de rouw niet bewust of onbewust uit. Het vervullen van de rouwtaken gaat hand in hand met de normale ontwikkeling.

Als we de hechtingspiramide erbij nemen, dan kan dit bij adoptiekinderen mogelijks anders verlopen, waardoor ook de rouw en verliesverwerking anders kan lopen. We bespreken verschillende fasen die bij adoptie van belang zijn waarin verlies en het bijhorende rouwproces op de voorgrond kunnen komen.

Bij aankomst

Als een jong kind (ook pasgeboren baby’s) een van zijn ouders verliest, is het aannemelijk dat het reageert met een onthechtingsreactie, zoals verlatingsangst of zoekgedrag. Soms vindt er een tijdelijke terugval in hun ontwikkeling plaats en krijgen ze problemen met eten, slapen en zindelijkheid.
Bij adoptiekinderen kan het gebeuren dat ze niet reageren op een verlies of afwezigheid, net omdat ze al met afscheidssituaties te maken hebben gehad of omdat hechting niet normaal verloopt of verlopen is.

Peuters en kleuters denken nog op een wijze die ‘magisch denken’ wordt genoemd: in hun denken is alles nog mogelijk en fantasie en werkelijkheid lopen nogal eens door elkaar. Ze verbinden oorzaak en gevolg nog niet met elkaar, wat voor volwassenen tot onlogische redeneringen kan leiden. Een paar voorbeelden:

  • Kinderen kunnen denken dat zij op de een of andere manier schuld hebben aan het verlies. Zo kunnen ze denken dat ze iets naars gedacht, gezegd of gedaan hebben waardoor hun biologische ouders hen niet meer wilden of hun adoptieouders hen zullen ‘terugsturen’.
  • Kinderen denken op een concrete manier. Uitspraken als ‘mama kon niet voor mij zorgen’ en ‘we hebben jou uitgekozen’ leiden tot gedachten over een winkel waarin kinderen in de rekken liggen tot er iemand langs komt en hen uit de rekken haalt. Of er verschillende prijzen waren voor verschillende ‘soorten’ kindjes,…

Lagere schoolkinderen

Weten dat iemand er niet meer is – dat adoptie onomkeerbaar is – is voor kinderen van een jaar of vijf, zes niet hetzelfde als gevoelsmatig echt bevatten dat ze iemand misschien nooit meer zullen zien. Kinderen beginnen gaandeweg te beseffen dat als je geadopteerd bent, dat niet verandert. Ook niet als je dat heel graag wilt. Dit kan leiden tot woede, frustratie of een enorme teleurstelling. Het blijft nog steeds moeilijk om te begrijpen wat dat dan is en welke impact dat heeft op henzelf, het leven en de toekomst. Dit blijft meestal nog tot (ver) in de puberteit zo.

Kinderen van deze leeftijd kunnen ook net zo goed vragen beginnen te stellen. Het is erg belangrijk om hier steeds geduldig op in te gaan. Net als bij jongere kinderen helpt het stellen van vragen hen bij het geven van woorden aan de gebeurtenissen en de emoties. Vragen stellen is meestal iets tijdelijks en heeft als functie dat kinderen het gebeurde willen duiden en zekerheid willen. Kinderen vertonen in deze fase ook vaak scheidingsangst, zijn onzeker, drukker en slapen slechter. Meestal helpt het deze kinderen als ze reële antwoorden krijgen. Sommige kinderen hebben bizarre fantasieën over het verlies en het eventuele herstel hiervan en kunnen teleurgesteld zijn omdat die niet uitkomen. Zo hopen kinderen soms dat hun biologische ouders op een dag gewoon voor de deur zullen staan om hen terug op te halen.

Angst is niet altijd direct te herleiden tot de angst om opnieuw verlaten te worden. Deze angst krijgt een meer algemeen karakter, zoals faalangst of onzekerheid. Onzekerheid over wie je bent, wat je ergens van vindt en hoe je met anderen omgaat, hoort bij deze leeftijdsfase, maar het verwerken van een verlies kan dat nog versterken.

Kinderen krijgen op de basisschool langzaamaan meer verantwoordelijkheden en worden steeds zelfstandiger. Ze gaan verschillen zien tussen hun eigen gezin en dat van vriendjes en vriendinnetjes. Die verschillen kunnen heel concreet zijn: een vriendje is niet geadopteerd zoals zij, andere kinderen zijn niet ‘bruin’, andere kinderen komen wel uit de buik van de mama bij wie ze wonen,… Het spreekt vanzelf dat al deze nieuwe ervaringen een bepaalde mate van verwarring en onzekerheid met zich meebrengen. Ook ouders kunnen door de kritische houding van hun kind ontmoedigd raken.

Het toenemend begrip van de eigen emoties gaat vaak samen met een toenemend besef dat het verlies ook hevige emoties bij anderen tot gevolg heeft. Soms trekken zij zich terug en laten ze niet meer merken aan anderen wat ze denken en hoe ze zich werkelijk voelen. Soms denken kinderen dat ze nu het ‘perfecte’ kind moeten zijn. Ze willen dan niet nog meer ellende en verdriet veroorzaken. Kinderen zijn ook bang dat diegene die nu voor hen zorgt of henzelf iets overkomt.

Puberteit

Jongeren of adolescenten realiseren zich ten volle wat het verlies van een dierbare betekent. Het fenomeen ‘herrouwen’ is in de adolescentie dan ook heel normaal. Dit komt door een van de ontwikkelingstaken waar jongeren voor gesteld staan: het ontwikkelen van een eigen identiteit.

Alle jongeren vragen zich in meerdere of mindere mate af wie ze zijn, hoe ze zich verhouden tot anderen en hoe ze hun toekomst vorm willen geven. Voor jongeren die geadopteerd zijn, kan die zoektocht naar hun identiteit ertoe leiden dat ze opnieuw gaan rouwen. Ouders en ook jongeren zelf schrikken hier soms van. Ze hebben dan het idee dat het gek of vreemd is dat ze opeens weer ‘terugvallen’ terwijl het verlies al een tijd achter hen ligt. Vanuit ontwikkelingsperspectief is het goed verklaarbaar waarom rouw juist kan opspelen in de puberteit, wanneer je druk bezig bent met identiteitsontwikkeling (met vragen als ‘Wie ben ik?, ‘Wat is de zin van het leven?’ en ‘Wat wil ik in en met de toekomst?’).

Veel jongeren die in op jonge leeftijd iemand verloren, denken opnieuw en dieper na over wat het verlies betekent voor hun leven, voor wie ze zijn, voor hun relatie met anderen en voor hun toekomst. Soms is de pijn van het verlies een tijdje weer erg intens om vervolgens weer in normale proporties te komen. Soms stagneert het verwerkingsproces en is professionele hulp noodzakelijk.

Soms lukt het (even) niet meer en kunnen jongeren overvallen worden door een gevoel dat ze ook dood willen. Doodswensen en suïcide zijn voor ouders vaak belangrijke punten van zorg.
Niet iedere jongere die zegt dat hij dood wil, is suïcidaal. Sommige willen hiermee enkel zeggen dat ze van hun problemen af willen. Zelfverwondend gedrag is een andere manier om even afgeleid te zijn van de emotionele pijn. Het is een andere manier om niet aan een suïcidepoging toe te geven.

Anderen willen graag herenigd worden met hun biologische ouders. Het kan gaan om een echt gemis, een gevoel dat ze beter thuis horen dan waar ze nu opgroeien. En sommigen tonen met dit soort uitspraken de behoefte aan begrip voor hun verdriet en gemis.

Volwassenheid

Een verlies stopt nooit met bestaan. Ook op (latere) volwassen leeftijd is het normaal dat vragen over de adoptie en afkomst van tijd tot tijd op de voorgrond komen: ‘Waar kom ik vandaan? Wie zijn mijn biologische ouders? Welke rol speelt adoptie in mijn leven?’ Belangrijke life events zoals trouwen, zelf kinderen krijgen, overlijden van familie,… zijn vaak momenten wanneer deze vragen naar boven komen.

Hoe je hier meer omgaat als volwassene hangt van verschillende factoren af. Nadenken over deze vragen is soms een hele uitdaging; één die sommigen misschien liever uit de weg gaat. Toch kan bezig zijn met herkomst en het geadopteerd zijn helpen om (sociaal-emotionele) moeilijkheden op te lossen die zich blijven stellen.

Bron: Mariken Spuij: Rouw bij kinderen en jongeren. Over het begeleiden van verliesverwerking