We zullen de focus op het welbevinden van gezinnen moeten aanvullen

met het recht van het kind op vrije tijd, ontspanning en culturele activiteiten

Door Ann Lobijn - VVSG

 

Op 3 mei 2019 bekrachtigde de Vlaamse regering een decreet dat het lokaal bestuur verantwoordelijk maakt voor de organisatie van de buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten. Dat stelt de lokale besturen voor een grote uitdaging, maar biedt volgens de VVSG ook ruimte voor lokaal maatwerk: kinderen krijgen naschools alle kansen op ontplooiing en spelen, dankzij een samenwerking tussen opvangvoorzieningen, scholen en initiatieven voor jeugd, cultuur, recreatie, sport, deeltijds kunstonderwijs…  

De Vlaamse overheid wil met dit decreet dan ook bijdragen tot de verwezenlijking van de rechten van het kind, en dan vooral van artikel 31: het recht op vrije tijd, ontspanning en culturele activiteiten. Het zet ook in op lokale samenwerking. Het lokaal bestuur krijgt de regie, maar doet dat in overleg met de relevante actoren, ouders en kinderen. De initiatiefnemers van het decreet schrijven: ‘Het lokaal bestuur bepaalt zelf op welke wijze het de dialoog organiseert. Het kan daarvoor een beroep doen op (advies)raden of overlegstructuren. Andere opties zijn het inschakelen van het Huis van het Kind of het betrekken van actoren via een inspraaktraject.’  

Een lokaal bestuur moet ook het initiatief nemen om een lokaal samenwerkingsverband samen te stellen met actoren die relevant zijn voor buitenschoolse activiteiten. Het decreet vereist niet dat een nieuwe, aparte structuur wordt opgericht, want: ‘De samenwerking kan worden ingebed in een bestaande structuur, zoals een Huis van het Kind.’  

De initiatiefnemers van het decreet leggen een paar keer de link met het Huis van het Kind, in een adviserende rol en zelfs als structuur om het samenwerkingsverband onder te brengen. Logisch? Misschien wel. Maar het kan niet zomaar, zonder enige kritische reflectie bij de huidige werking van het Huis van het Kind. Zo is er ook het decreet over de organisatie van preventieve gezinsondersteuning, bekrachtigd door de Vlaamse regering op 29 november 2013: daarin wordt geen duidelijk mandaat gegeven aan het lokaal bestuur om een trekkersrol in de samenwerking te vervullen. In de praktijk zien we dat het die rol vaak opneemt, maar een mandaat aan het lokaal bestuur om trekker te zijn, is wel de voorwaarde om beide samenwerkingsverbanden in elkaar te laten opgaan.  

Het decreet over de organisatie van preventieve gezinsondersteuning kijkt bovendien vooral naar ouders als gebruikers van de Huizen van het Kind, en niet naar kinderen. Het doel is gezinnen met kinderen en jongeren te ondersteunen op het gebied van welzijn en gezondheid. In die rol kan het Huis van het Kind een voor de hand liggende partner zijn voor de buitenschoolse opvang. Maar dan moeten we de focus op het welbevinden van gezinnen aanvullen met het recht van het kind op vrije tijd, ontspanning en culturele activiteiten.  

Ik ben ervan overtuigd dat elk Huis van het Kind voldoende gedreven is om bij te dragen aan dit zo belangrijke recht, dat ik nog altijd best gevat vind in een uitspraak van Jan Van Gils: ‘Een bekende vraag aan ouders, “mag ik gaan spelen”, is geen vraag naar iets concreets, wel naar zeggenschap over de tijdsbesteding, naar goedkeuring om je tijd zelf in te vullen. Een “ja” van ouders is een blanco tijdscheque aan hun kinderen.’ Die blanco tijdscheque aan kinderen geven, daar hebben we allemaal een rol in te spelen.