Tien tips voor spreken met laaggeletterde anderstaligen

10 GOUDEN TIPS


1. Schakel niet te snel over op een andere taal.
2. Spreek langzaam en articuleer goed.
3. Gebruik gebaren die je uitleg ondersteunen.
4. Gebruik eenvoudige woorden en synoniemen.
5. Vermijd dialectwoorden.
6. Hertaal. Leg iets uit in andere woorden.
7. Geef de anderstalige de tijd om even te zoeken naar zijn of haar woorden.
8. Geef de Nederlandse vertaling van woorden die de anderstalige in een andere taal zegt. (Bv. ‘Kan ik hier sacs poubelle kopen?’ – ‘Welke vuilniszakken heeft u nodig? Blauwe, groene of bruine?’)
9. Wijs voorwerpen waarover je spreekt aan.
10. Zeg niet dat iets fout is, maar corrigeer op een positieve manier. (Bv. ‘In hoeveel stationen stopt de trein?’ – ‘In vijf stations.’)