Gelijke onderwijskansen in het gewoon basisonderwijs

Verslag van het Rekenhof aan het Vlaams Parlement

Auteur :

Rekenhof

Jaar van publicatie :

2017

Thema :

 

Type :

Document


Korte beschrijving:
 

Uit het PISA-onderzoek van de OESO blijkt dat Vlaanderen een grote ongelijkheid in onderwijskansen
kent. De Vlaamse overheid voert sinds 2002 een gelijke-onderwijskansenbeleid. In het
gewoon basisonderwijs kent zij aan basisscholen lestijden en werkingsmiddelen toe op grond
van socio-economische kenmerken van de leerlingen. Tot 2012 moesten scholen die extra lestijden
ontvingen, een eigen gelijke-onderwijskansenbeleid voeren in een driejaarlijkse cyclus. Sinds
2013 zijn alle gewone basisscholen verplicht een zorg- en gelijkeonderwijskansenbeleid te voeren,
maar de driejaarlijkse-cyclusverplichting is weggevallen.
De overheid heeft de doelstelling van het gelijke-onderwijskansenbeleid niet nauwkeurig bepaald.
Zij heeft evenmin indicatoren of een tijdpad vastgelegd. Daardoor is een evaluatie van het beleid
moeilijk. De evaluaties die voorhanden zijn en die vooral zijn uitgevoerd door het Steunpunt, lijken
niet te wijzen op een verbetering van de onderwijskansengelijkheid tussen de groep van de
kansrijke en de groep van de kansarme leerlingen. Het Rekenhof heeft zelf drie ruwe leerprestatie-
indicatoren gekozen om de resultaten van het beleid te kunnen nagaan: schoolse vordering
in het basisonderwijs, doorstroming naar 1A van het secundair onderwijs en behaalde attesten in
1A. Het heeft de analyse uitgevoerd op een bestand van de administratie met de gegevens van de
leerlingen die in het zesde jaar van het lager onderwijs zaten in de schooljaren 2008-2009, 2010-
2011 of 2013-2014. Over leerwinstgegevens beschikte het Rekenhof niet. Uit de analyse blijkt dat
de doorstroming naar 1A en het aantal A-attesten in 1A voor kansarme en kansrijke leerlingen
samen toenamen. Vergeleken met de kansrijke leerlingen is de waarschijnlijkheid van schoolse
vertraging en het niet behalen van een A-attest bij kansarme leerlingen toegenomen. Voor de drie
indicatoren bleef de kansenongelijkheid groot. Het Rekenhof heeft vervolgens de effecten van
de verschillende leerlingenkenmerken uitgezuiverd. De drie prestatie-indicatoren vertoonden de
sterkste samenhang met het kenmerk lage opleiding van de moeder. Ook de samenstelling van de
leerlingenpopulatie van de school bleek een invloed te hebben.
Scholen met veel kansarme leerlingen kenden ook onderling sterk verschillende resultaten. Het
Rekenhof speurde naar de succesfactoren voor een gelijke-onderwijskansenbeleid van gewone
basisscholen met veel kansarme leerlingen. Het selecteerde zestig dergelijke scholen en onderscheidde
dertig succesvolle en dertig minder succesvolle scholen. In uitgebreide interviews en op
grond van bestanden van de administratie ging het meer dan zestig factoren na. Het selecteerde
de factoren die een samenhang met het succes vertoonden en analyseerde ze. Uit het onderzoek
kwamen als meest prominente succesfactoren naar voren: het gebruikte leerlingvolgsysteem, de
creatie van een stevig draagvlak bij de leerkrachten en een grote ouderbetrokkenheid. Er bestaat
echter geen eenvoudige formule om aan de complexe gelijke-onderwijskansenproblematiek te
werken. Ook andere factoren, zoals een beperkt leerlingenverloop, een stabiel leerkrachtenteam
en een ervaren directeur en zorgteam, kunnen van belang zijn. Bovendien kan ook de individuele
context van de school bepalend zijn voor het succes van het gelijke-onderwijskansenbeleid.
De overheid kan verschillende succesfactoren actiever bevorderen. Zo kan ze de kwaliteitsbewaking
en -verbetering van leerlingvolgsystemen faciliteren. Voor de creatie van een draagvlak zijn
enkele verplichte instrumenten weggevallen met de verdwijning van de driejaarlijkse cyclus. De
factor ouderbetrokkenheid wijst er ten slotte op dat er nood is aan een globale benadering van de
thuissituatie van de leerling, waarbij verschillende beleidsdomeinen moeten samenwerken